Het Ravijn van Boerakker



Op een mistige avond wandelde Jan in de schemering langs het Schilligepad. De dag was bijna verdwenen. Boven de weilanden hing een dunne nevel en tussen de houtwallen werd het al donker.
Bij de driesprong met de Hindrik de Haanweg bleef hij staan. Beneden hem kronkelde een smal stroompje tussen het gras door. Het water was nauwelijks te zien, maar hij hoorde het zachtjes stromen.
“Het ravijn van Boerakker,” mompelde hij.
“Nou ja, voor Westerkwartierse begrippen dan. Daar heb ik weleens over gehoord en gelezen.”
Jan wist dat het dalletje veel ouder was dan de wegen, de boerderijen en zelfs de dorpen in de omgeving. Lang geleden had smeltwater hier zijn weg gezocht. Later trokken jagers door het gebied en vestigden de eerste boeren zich op de hogere gronden. In de aarde waren pijlpunten, krabbers en sporen van oude vuurplaatsen gevonden.
Terwijl hij naar het water keek, zag hij in de verte plotseling een klein lichtje flakkeren.
Het was geen fietslamp. Daarvoor bewoog het te langzaam. Het was ook geen lamp van een tractor, want hij hoorde geen motor. Het leek op een klein vlammetje dat laag boven de grond langs het water trok.
Jan kneep zijn ogen samen.
“Wat hebben we nou?”
Het licht verdween even achter een houtwal en verscheen daarna opnieuw, iets dichterbij. Tegen beter weten in liep Jan voorzichtig het dalletje in. Zijn schoenen zakten weg in de zachte grond. Takken kraakten onder zijn voeten en ergens verderop vloog een vogel verschrikt uit het gras.
Toen was het licht ineens weg.
Op de plek waar het had geflakkerd, zag Jan iets donkers in de modder liggen. Hij bukte en haalde een kleine steen uit de grond. De ene kant voelde glad, de andere was scherp afgeslagen.
Misschien was het helemaal niets. Gewoon een stuk vuursteen.
Maar misschien had een rendierjager hem duizenden jaren geleden in zijn hand gehouden. Of een van de eerste boeren die hier woonde, lang voordat het veen het land bedekte en de A7 door het landschap werd aangelegd. Misschien had iemand hier ooit bij een vuur gezeten, luisterend naar hetzelfde stromende water.
Jan draaide de steen een paar keer rond in zijn hand. Even dacht hij eraan hem mee naar huis te nemen.
Toen legde hij hem voorzichtig terug.
“Doe maar blijven liggen,” zei hij. “Ie hebt hier langer gelegen dan ik.”
Op dat moment doofde het laatste restje licht in de verte. Een vrachtwagen raasde toeterend over de A7 en bracht Jan weer terug naar het heden. Het water kabbelde rustig verder alsof er niets was gebeurd.
Sindsdien kijkt Jan altijd even richting het ravijn wanneer hij langs de driesprong komt. Meestal ziet hij alleen gras, water en een paar koeien. Soms ligt er mist boven het dal en is het stroompje bijna niet te zien.
Maar heel af en toe flakkert er iets tussen de houtwallen.
Of het een oud kampvuur is, weet niemand.
Het kan natuurlijk ook gewoon een fietslampje uit Tolbert zijn.
Meer weten? ga naar de Canon van Nederland
